Bevrijdingsprent - CRS

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Bevrijdingsprent

Archief



Bevrijdingsdag 27 oktober 2009 - 65 jaar na de tweede wereldoorlog

Ed Schilders heeft de gelegenheidsprent van Cees Robben, ter gelegenheid van het tiende jaar na de bevrijding, in 1954 op de website van Cubra beschreven. Klik door op de link hieronder. 

http://www.cubra.nl/ceesrobben/ceesrobbenbevrijdingVanTilburg.htm

Presentatie van “Prentepraot”, lessen in dialect aan de hand van prenten getekend door Cees Robben, Goirle, 27 oktober 2006.

Dr. Jos Swanenberg


Palavers, palavers….dat had Wilma Robben zo niet gevraagd, maar ik las het wel in de uitnodiging. Een palaver houden dat is een praatje houden, dus dat ga ik doen, maar het woord hield me toch wel even bezig.
Maar weet u wat de herkomst van dat woord is? Ik meen dat ik ook wel eens het werkwoord palaveren heb horen gebruiken, maar dat staat niet in de woordenboeken.
In het dikke Woordenboek der Nederlandsche Taal staat “Palaver: Een woord dat op de kusten van Afrika van Portugeesche of Spaansche kooplieden zal zijn overgenomen en zoowel door de inboorlingen als door Europeanen gebruikt wordt. Port. palavra, ‘woord’; sp. palabra.“ Eigenlijk betekent het dus ‘woord’.
De betekenis is in het Nederlands oorspronkelijk, “vooral in de uitdr. een palaver (palabber) houden, een mondgesprek of onderhandeling hebben met inboorlingen.”
En zo sta ik dan voor u, hooggeachte inboorlingen van Goirle of Tilburg.
Het project “Prentepraot”, lessen in dialect aan de hand van prenten getekend door Cees Robben, waarom moet ik, streektaalfunctionaris van Noord-Brabant, daar iets over komen zeggen?
Ik kom daar op de eerste plaats iets over zeggen omdat het project Prentepraot aandacht schenkt aan dialect in het basisonderwijs. In Noord-Brabant wordt, i.t.t. bijvoorbeeld Limburg of Groningen, weinig structurele aandacht aan dialect in het onderwijs besteed. Incidenteel gebeurt dat echter wel en zulke initiatieven kunnen tot heel verrassende producten leiden.
Dialect vormt een belangrijk onderdeel van onze identiteit en de beleving daarvan. Door middel van taalgebruik onderscheiden wij ons én kunnen we saamhorigheid laten horen. Voor kinderen is de kennismaking met dialect zeer belangrijk, zeker in de moderne maatschappij waarin we voortdurend met nieuwe cultuuruitingen geconfronteerd worden. Bekend zijn met culturele verscheidenheid maakt ons tolerant.
De manier waarop het project aandacht aan dialect schenkt, is een goede manier. Het betreft hier niet een ‘lesje Brabants’, hoe leer ik kinderen die helemaal niet in het dialect zijn opgevoed het dialect aan, nee, het project laat op een heldere en gevarieerde manier zien hoe veelzijdig dialect kan zijn. Dat heeft tot gevolg dat kinderen kennis maken met dialect in de vorm van een volwaardige taal en niet als boerengebrabbel dat voor domme of onbeleefde mensen is.
Op de tweede plaats is het project Prentepraot voor mij als volkskundig geïnteresseerde van groot belang omdat de prenten van Cees Robben van een bijzonder gehalte zijn. De tekeningen en de teksten tonen samen een humor, een dubbelzinnigheid en een emotie die zelden zo goed verbeeld en verwoord werden en waar de jongste generaties Midden-Brabanders zeker kennis van moeten nemen.
Kortom, Prentepraot is een mooi en lovenswaardig project.
Als we het hebben over de prenten van Cees Robben en het taalgebruik, tja, dan is er in het verleden al veel gezegd. Ed Schilders schreef al heel vaak over prenten van Cees Robben, Theo van Doorn schreef een mooie inleiding over humor en gebruikte de preneten van Cees Robben als voorbeeld, Jan Naaijkens schreef een prachtig artikel …
Maar misschien is wat minder bekend hoe een echte dialectoloog daarover denkt. Een echte dialectoloog, dat is prof. Weijnen, inmiddels bijna 97 jaar oud en lang werkzaam geweest in Tilburg.
Weijnen schreef in 1987: “En daarover gesproken (hij heeft het over taalspelletjes), komen we terecht bij de meesterlijke Prent van de week, die de Tilburgse Cees Robben meer dan 25 jaar verzorgde. Spelend met klankontwikkelingen, woordvergroeiïngen en assimilaties komt hij tot hele allitererende en assone­rende woordenreeksen: Van diettie toen ha, hatjer ginmer... mar nao hatjer diettie toen nie hô.
Men moet er eigenlijk de Prent bij zien.
Bij een tekening van een soort landloper met losse schoenveters: Dorrus doew nessels vást; trek trap trop,
bij twee mannen waarvan er een een hond heeft: Bettie - akkum aai?
bij kinderen die besluiteloos voor een snoepkraam staan: asse - mar - wiesse - wesse - won.”
Tot zover prof. Weijnen.
Robben was Tilburger in hart en nieren. Hij was een echte volksdichter en hij geniet in Brabant vooral bekendheid als de tekenaar van die Prent van de Week’. In deze prenten en hun in het Tilburgs dialect geschreven bijschriften, die vaak de vorm van complete gedichten hebben, verbeeldde hij met veel humor het dagelijks lief en leed van de gewone man.
Robben publiceerde vanaf 1953 zijn prenten in het weekblad Rooms Leven, het gezamenlijk orgaan van de talloze Tilburgse en Goirlese parochies. In 1970 stapte hij over naar de pagina’s van een van de twee Tilburgse kranten, Het Nieuwsblad van het Zuiden.
In totaal heeft Robben 1627 ‘Prenten van de Week’ gemaakt, maar daarnaast heeft hij ook nog een aantal langere gedichten geschreven.
Tilburg en het Tilburgs lagen Robben na aan het hart, maar ook het dorp Goirle,waarheen hij later verhuisde, was hem zeer lief. Wat misschien niet zo bekend is, is dat Robben ook als heemkundige zeer actief was. Hij schreef naast zijn dialectpoëzie ook veel heemkundig werk, heemkunde is lokale geschiedenis; hij schreef dat in de tijdschriften Brabants Heem, Historische Bijdragen en Rond de Schutsboom.
Maar goed, daar hebben we het vandaag natuurlijk niet over, het gaat vandaag over prenten, want we presenteren Prentepraot.
Stelt u zich nou bijvoorbeeld eens deze prent voor: het is kerstmis. twee mannen zitten aan tafel achter een borreltje en achter in de huiskamer scharrelt de eega van een van hen rond.
In het onderschrift bij de prent laat Cees Robben zoals altijd prachtig onvervalst Tilburgs klinken.
Jöllie Dien zieter nog goed uit..ze lekt net de ster van Betteljem.
Jè, alleenig blinkt ze nie..schèène doese wel.
Het taalgebruik is echt van deze regio. Typerend is het stopwoordje , dat echt Tilburgs is. Ook het gebruik van jöllie voor het bezittelijk voornaamwoord ‘jullie’ is typisch Midden-Brabants. Oost-Brabanders spreken van öllie, dus zonder een j-.
Dit onderschift bevat, zoals veel van Robbens werk, een dubbelzinnigheid. De vrouw in kwestie ziet er nog goed uit, als een ster, waarop de echtgenoot opmerkt dat ze niet blinkt maar wel schèènt. Schèène betekent ‘schijnen’, maar er is ook een homoniem dat ‘schelden’ betekent. Een homoniem is een gelijkluidend, maar in betekenis verschillend woord, vergelijk de bank om op te zitten met de bank om geld van te lenen. Die tweede vorm schèène is de Brabantse variant van het Nederlandse ‘schenden’, dat onder meer ‘kwetsen, beledigen’ betekent. Het is trouwens ook te zien op de prent die de voorzijde van ‘Prentepraot’ siert.
Als je vraagt wat nou echt Brabants is, krijg je vaak zinnetjes te horen waarin veel klankrijm en samentrekking zit: kékt's of ie kékt, èn èssie kékt, nie kééke of ólliede göllie den jöllieje ók?. Dat zijn zinnen waarmee men wil laten zien dat men dialect spreekt, waarmee men zijn identiteit wil benadrukken. Vaak gaat het daarbij om samentrekkingen, die door hun ondoorzichtigheid op een soort gezamenlijke geheimtaal gaan lijken. In het oeuvre van de Cees Robben spelen dergelijke zinnen een grote rol. Kroegen en borreltjes kom je ook veel tegen in het oeuvre van Robben: ik heb liever degge den Haaikese toren omstôôt as degge menne borrel leegkwaanselt...taotolf. Met kwaansele ‘het knoeien met vloeistoffen’ is weer een echt Tilburgs woord genoemd, mét de rekking van a voor ns, die ook zit in Gòdde mee daanse bij Fraans Jaanse? , de plaagvraag die wel eens tegen Tilburgers gebruikt wordt. Taotolf, ‘sufferd’, is een woord dat vroeger in het Nederlands voorkwam maar tegenwoordig is uitgestorven. In het Tilburgse dialect is het woord echter nog springlevend.
Daarmee kom ik bij de Stichting Tilburgse Taol aan. Voorzitter Paul Spapens zei ter gelegenheid van de presentatie van Tilburgs Prentebuukske 8 in 2002.
“De grote inspirator voor ons werk was en is Cees Robben. Toen wij met de Stichting Tilburgse Taol begonnen, hoefden we elkaar maar aan te kijken om te beseffen, dat hoe we het ook zouden doen, we het in de geest van Cees Robben zouden doen. Cees voelde namelijk perfect de inspirerende koppeling aan tussen dialect en identiteit. Daarom zijn zijn Prenten van de Week zo onnavolgbaar sterk. Daarom roepen die meteen zoveel herkenning op en warme gevoelens en het toffe besef Midden-Brabander te zijn.”
Kijk, dat zijn warme en ware woorden.
Paul Spapens sloot destijds af met “deze boekjes (de prentebuukskes) vormen samen een heel belangrijk stuk cultureel erfgoed van Tilburg. Die magnifieke koppeling tussen dialect en identiteit druipt er van af. En dit weer past precies in onze overtuiging, dat wie zijn eigen cultuur en identiteit goed kent, zich open kan stellen voor andere culturen. Daarom tot slot deze conclusie: een multiculturele samenleving, waarin wij geloven, kan niet bestaan zonder een ruime plaats voor het dialect, de streektaal als drager van de eigen identiteit.”
En met die constatering was ik mijn palavers begonnen. Want ik sluit me, wat dat betreft, geheel bij de Stichting Tilburgse Taol aan.
De tijd is rijp. We zien dat in deze regio van Midden-Brabant, in de provincie Noord-Brabant, en eigenlijk overal in Nederland men steeds meer beseft dat dialect voor veel mensen wezenlijk onderdeel uit maakt van de identiteit en daarmee het gevoel van eigenwaarde mede bepaalt.
Het spreken van dialect gaat langzaam maar zeker steeds minder worden en dat moeten we niet willen tegenhouden. De belangstelling voor dialect neemt steeds meer toe. Maar dialect spreken en belangstelling voor dialect zijn twee compleet verschillende dingen. De crux zit hem daarbij in….de jeugd. Die belangstelling voor dialect leeft vooral bij ouderen, het is de kunst om juist jonge ouders en hun kinderen bewust te maken van het feit dat dialect een volwaardige taal is.
En daarom ben ik heel blij dat Prentepraot vandaag wordt gepresenteerd. Ik feliciteer de Cees Robben Stichting van harte met dit mooie project en hoop dat alle kinderen in deze regio kennis zullen nemen van het prachtige werk van Cees Robben.
Dank u wel!

Presentatie Prentepraot

Omdat Piet Wiercx, die een hoofdrol speelde bij de samenstelling van het project, vandaag onvoldoende bij stem is, heb ik de eer zijn toelichting op de realisatie van het project voor te dragen.
Vorig jaar rees bij deze stichting de vraag of de befaamde prenten – in het kader van “behoud cultureel erfgoed – iets zouden kunnen betekenen voor het onderwijs. Men dacht daarbij aan een schoolproject, bestaande uit een aantal zorgvuldig geselecteerde prenten waarvan het onderwerp tot de belevingswereld van kinderen gerekend mag worden. Was het mogelijk om  een project op te zetten om samen met een groep kinderen naar deze prenten te kijken, er over te praten, de teksten te lezen en daarmee op ludieke wijze wat te “spelen”? Dit alles om kinderen wat meer vertrouwd te raken met de streektaal, met het dialect. “Prentepraot” werd de naam van het project.
“Ha!”, dachten de behoeders van het cultureel erfgoed. Volkomen terecht! De dialecten zijn een rijk cultureel erfgoed met wortels diep in het verleden. De ontwikkeling van de dialecten gaat terug tot de volksverhuizingen toen stammen zoals de Franken en de Saksen hun Germaanse talen hier mee naar toebrachten.
“Ha!”, zeiden de heemkundigen en dachten aan de vele plakboeken waarin mensen de Prenten van de Week verzamelden en bewaarden. Het gebeurt nog al eens, dat bij de heemkundige kring spullen uit de oude Doos worden bezorgd:  foto’s, knipsels, notities en plakboeken o.a. vrij frequent met een verzameling Prenten van Week. Die plakboeken zeggen iets over de waardering van de mensen voor die prenten die raak en geestig het dagelijks leven van weleer in beeld brachten.
En de mensen uit het onderwijs? “Oei!”, dachten deze en fronsten de wenkbrauwen. Dialect op school? “Plat praote?” Moet dat? We zijn er toch om de kinderen Nederlands te leren! Dialect en ABN/Standaard-Nederlands leiden tot verwarring. Cees Robben vestigde daar al de aandacht op.
Hij tekende een prent waarop een moeder met twee jongetjes (mennekes). Op de achtergrond schuifelt een vreemde meneer (unne meens) voorbij. De kinderen kennen hem niet en vragen:
              
Hoe hiet dieje meens moeder…..
               Dè hiet nie hiet mennekes….
               Dè hiet….. heet……
Een andere prent gaat over Frie, een lastig ventje dat in het gezin vaak voor onrust zorgt. Hij moet naar kostschool waar hij ook ABN moet spreken. Als het vakantie is, komt Frie naar huis. Cees Robben tekende daarover een prent met ruziënde kinderen en een hulpeloos ouderpaar. “De invloed van het ABN is funest”, staat boven de tekst……..
De invloed van het ABN is funest…..
       Vur den goeie gang van zaoke
       moes den Frie nor kostschool toe
       om van hum nog iets te maoke
       meej nog wè menieren toe.
       Toen ie weg was, zin ze ammol
       det z’n kuntje vaoren zô…
       op ’n aander wasset alles….
       Dus naa hattie wettie wô….
       ’t Wier vakaansie en ons Frieke
       stond al vruug och-chotte-chot
       op den vloer , en diejen rekel
       brocht de ruzie wir in ’t kot….
       Göllie moet nie ligge “scheinen”…
       zeej den Frie…dan wor ik “kaad”…
       en ik wô, meej al dè kweiken,
       dek wir op de kostschool zaat……
      
Maar wees gerust, het standpunt van de samenstellers van “Prentepraot” is: op school wordt Standaardnederlands gesproken en dit moet zo blijven. Maar op gezette tijden zou er ruimte moeten zijn voor het dialect. De Prenten van Cees Robben zijn een prachtig hulpmiddel daarbij. Zij vormen een goed uitgangspunt om de kinderen op speelse wijze vertrouwd te maken met onze streektaal. We kunnen de kinderen laten ervaren dat het dialect een gewone taal is, waardoor je iets duidelijk kunt maken en begrijpen.
In dialect zit vaak veel gevoel en het heeft prachtige uitdrukkingen. Een paar voorbeelden:
·        In een café kijkt een borrelaar wat glazig naar zijn buurman: “As jouwe kop op un vèèerke stond, dan zôdde denke det bisje ziek was”
·        Een prent met een vervaarlijke hond en een ventje dat vraagt: “Bettie akkum aai?”
·        Dorus loopt met losse veters in zijn schoenen en de buurvrouw waarschuwt:
“Dorus, doe oe nissels vaast, drek-trap-trop”
·        Een man klaagt steeds over zijn nieuwe schoenen die knellen. Zijn vrouw is dat gezeur beu: “Mee dè gemauw, trek mar gauw oew- ouw- aon”
·        Op de slaapkamer van de bakker, ratelt de wekker: “Kom vrouw d’r uit, want ’t brood mot erin”.
Door in de klas aandacht te besteden aan de streektaal, leveren we een bijdrage aan het in stand houden ervan; onderzoek toonde aan dat, als je dialectwoorden niet gebruikt, ze binnen één generatie verdwenen zijn. Het zou jammer zijn als bepaalde woorden uit het Midden-Brabantse dialect zouden verdwijnen. Bijvoorbeeld:
·        Voorzichtig! Niet morsen……..............Nie dabbe (of nie kwàànsele)
·        Na een ziekte weer opknappen………..behippere
·        Bosbessen……………………………..klokkebaajen
·        Lijsterbes………………………………kwalster
·        Een steuntje geven…………………….stüppere
En zo zouden we nog door kunnen gaan.
Een apart woord over de gebruikte spellingspelling.
Men heeft geprobeerd enige uniformiteit aan te brengen in de spellingswijze van dialectwoorden. Maar dat was ná de tijd van Cees Robben. Die was genoodzaakt een eigen spellingsysteem te hanteren, dat overigens voor de lezers van zijn prenten heel begrijpelijk was. Omdat in “Prentepraot” de prenten van Cees Robben centraal staan, gebruiken we ook zijn spelling.
 
Een project samenstellen, kun je niet in je eentje. De stichting heeft dan ook grote waardering voor een werkgroep dat de wording van het project toetste aan hun ervaringen en onderwijspraktijk. Ik noem hier met name: Piet Wiercx, Engeline Spijkers-De Brouwer en Marcel de Reuver en Ger Rodenburg voor zijn muzikale inbreng, (en ik mocht ook meedoen).
De keuze van de prenten en de aard van de opdrachten zorgen er voor dat het project een speels en ludiek gebeuren is. Dit geldt ook voor de afsluiting van het project door middel van een toets, de CERO-toets (Cees Robben-toets). Die bestaat uit twee delen: een individuele proef én een groepsgewijze proeve van bekwaamheid. Daarbij staat een slaatje of “kaaw schotel” centraal. Dat slaatje is inmiddels een gevleugeld woord geworden: slaoi-mee-jaai-mee-juin-mee-jèèrepel”. Ten overstaan van een “gewichtige” jury moet de groep deze dialectische omschrijving van een slaatje in koor zeggen, zingen of rappen. Het zal nodig zijn vooraf even te oefenen, waarvoor in de handleiding diverse aanwijzingen zijn opgenomen. Als vorm van diploma krijgen de kinderen een “dab-lap”, een onderlegger om op te dabben. Het feest is natuurlijk helemaal compleet als de dablap een daadwerkelijke functie krijgt bij het nuttigen van een slaatje.
De samenstellers hopen dat “Prentepraot” zijn weg naar de scholen zal vinden en een bron zal zijn voor genoeglijke uurtjes in de wereld van het dialect.
Goirle, 27 oktober 2006
Namens Piet Wiericx,
Wilma Robben

Voorwoord Prentepraot
Geen mens kan zonder taal. Het is een belangrijk middel om je in uit te drukken en je te onderscheiden. Woorden zijn er niet zomaar. Ze komen ergens vandaan, maar kunnen ook zo weer verdwijnen. Taal leeft.
Niet iedereen spreekt dezelfde taal. Dat kan wel eens lastig zijn omdat je elkaar dan niet begrijpt. Vaak vinden mensen zelfs dat iemand die dialect spreekt, dom is. Dat is een groot misverstand. Maar je hoeft niet alle dialecten (streektalen) even mooi te vinden.
In dit werkboekje staan prenten met bijbehorende teksten. Die prenten zijn getekend door Cees Robben en de teksten eronder heeft hij in het dialect geschreven wat vooral in Midden-Brabant werd gesproken. Hij deed dat van 1953 tot 1988. Toen overleed hij op 78-jarige leeftijd.
Wat de prenten nog steeds zo speciaal maakt, is dat we nu weten wat de mensen in die periode belangrijk vonden. Cees Robben kon behalve goed tekenen ook heel goed dichten en schrijven. Hij keek en luisterde aan de keukentafel, op straat, in ’t café, kortom in het gewone dagelijkse leven. Elke week verscheen er dan op vrijdag een ‘Prent van de Week’ in de krant. De mensen vonden dat leuk. Er werd veel over gepraat en naar uitgekeken, want je kon er om lachen. De humor ligt op straat. Robben wist dat als geen ander.
Willen wij onze opa’s, oma’s, andere familieleden en niet alleen hen goed begrijpen, ga dan snel aan de slag met Prentepraot.
De Cees Robben Stichting wenst iedereen, groot en klein, dik en dun, allochtoon en autochtoon, daarbij heel veel plezier.
Wilma Robben
(De Cees Robben Stichting dankt BisK voor het toekennen van subsidie voor dit basisschoolproject. Dank zij die financiële steun is Prentepraot haalbaar geworden.)

Presentatie van het eerste exemplaar van het project Prentepraot op vrijdag 27 oktober 2006 om 13.30 uur in OBS ’t Schrijverke te Goirle.
Adres: Guido Gezellelaan 137.
Het project is een productie van de Cees Robben Stichting en beoogt de betekenis van het streekdialect op een educatieve wijze onder de aandacht van leerlingen in de midden- en bovenbouw van het basisonderwijs te brengen. Het gaat om het cultureel erfgoed.
Daartoe is een lessenpakket (werkboek, handleiding en CD) ontwikkeld, dat de schoolkinderen spelenderwijs met het streekdialect laat kennismaken.
Het eerste exemplaar is voor de burgemeester van Goirle.
Jos Swanenberg, streektaalcoördinator en dialectkundige zal een palaver houden.
In het werkboekje staan prenten met bijbehorende teksten. Die prenten zijn getekend door Cees Robben en de teksten eronder schreef hij in het dialect wat vooral in Midden-Brabant werd gesproken. Hij deed dat van 1953 tot 1988. Toen overleed hij op 78-jarige leeftijd.
Wat de prenten nog steeds zo speciaal maakt, is dat we nu weten wat de mensen in die periode belangrijk vonden. Cees Robben kon behalve goed tekenen ook heel goed dichten en schrijven. Hij keek en luisterde aan de keukentafel, op straat, in 't café, kortom in het gewone dagelijkse leven.
Elke week verscheen er dan op vrijdag een 'Prent van de Week' in de krant.
De mensen vonden dat leuk. Er werd veel over gepraat en naar uitgekeken, want je kon er om lachen. De humor ligt op straat. Robben wist dat als geen ander.
Programma
13.30 uur        inloop en ontvangst
14.00 uur        begroeting door Hans Robben, voorzitter van de CRS
14.05 uur        toelichting op de realisatie van het project
14.15 uur        enkele palavers door Jos Swanenberg
14.30 uur        ludieke aanbieding eerste exemplaar aan      burgemeester M. Rijsdorp van Goirle
14.45 uur        gezellig samenzijn
Gelieve ons een berichtje te sturen indien u bent verhinderd.
Voor degenen die zich aanmelden is een presentexemplaar van het werkboek aanwezig.
Email: bestuur@ceesrobbenstichting.nl of gewone post: Saelde 3, 5051 WL Goirle.
Hoogachtend,
Namens de Cees Robben Stichting,
Wilma Robben

 
Copyright 2015. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu